Stichting Hoochhoutwout biedt u het heden en het verleden van de (vroegere) gemeente Hoogwoud (Hoogwoud, Aartswoud, De Langereis, De Gouwe, De Weere). De Stichting Hoochhoutwout heeft als doelstelling om de (vroegere) gemeente Hoogwoud in al haar facetten te belichten.

Koningspade 23 (Deel 2: Werkzaamheden op de boerderij)

Door Martien Hoogland

Tijdloos staat deze boerderij aan de Koningspade 23. Het voorhuis is een stuk ouder dan de kap. De tegels in de schouw dateren uit ongeveer 1680, maar op een landkaart uit 1635 staat op deze plaats een boerderij met de naam Onverwachts. De kap is gebouwd omstreeks 1800, dus in de Franse tijd. In 2004 en 2005 heb ik diverse interviews afgenomen van mevrouw Rika Vlaar-Beerepoot. Zij is een telg uit het geslacht Beerepoot. De familie die de boerderij in haar bezit heeft gehad van 1923 tot 2004. Haar verhalen heb ik aangevuld met informatie uit andere bronnen. In de uitgave Toendertoid uit 2005 staat deel 1. Dat deel handelt hoofdzakelijk over de gebeurtenissen in en om het huishouden. Deel 2 handelt meer over de werkzaamheden op de boerderij.

Een overzichtsfoto van Koningspade 23 (foto: Floris de Jong).

 

Tussen 1906 en 1923 huurde Gert Ursem de boerderij. In mei 1921 bestond deze uit 25 ha grasland en 3 ha bouwland. Het bedrijf telde twee oudere en een jong paard, een stier, twintig melkkoeien, 2 mestkalven, zes vaarzen en negen kalven, 25 schapen, 28 lammeren en 14 biggen. In 1923 kocht Gert Beerepoot de boerderij met 23 hectare land. In mei 1930 bezat Gert een paard (een hit), een stier, 21 melkkoeien, zes vaarzen en acht kalven, 22 schapen, 22 lammeren en twaalf fokzeugen en zes mestvarkens van meer dan honderd kilo. Achter het voorhuis torent de kap omhoog, bestaande uit een dubbel vierkant. Via de buitendeur kwam je op een gang en links daarvan op de zogenaamde lange regel. Daar was plaats voor achttien koeien en op de korte regel achter in de boerderij pasten nog eens veertien koeien. De koegang was van steen zodat deze gemakkelijk schoongemaakt kon worden. De koeien stonden twee aan twee naast elkaar, in stallen die gescheiden waren door houten schotten. Deze stallen werden ook wel delen genoemd. De koeien stonden met de kop naar de stalmuur toe en konden drinken uit een stenen goot bedekt met geglazuurde tegels (Met de komst van de waterleiding werd deze goot vervangen door metalen drinkbakken, terwijl eveneens de stal werd verlaagd). Het water was afkomstig uit twee pompen. Eentje stond vooraan de lange regel, ter hoogte van de tweede stal; de ander stond buiten, achter het huis. Deze houten pompen werden door timmerman Vlaming onderhouden.

Deze foto geeft een mooi zicht op het dubbelvierkant
van Koningspade 23 (foto: Floris de Jong).

 

De lange en de korte regel

Tussen de korte regel en de dars bevond zich ‘t achterom, waar in het voorjaar de kalveren stonden. Middenin de boerderij bevond zich de hooiberg, die te bereiken was via de dars. De dars had grote deuren waar in de zomer de hooiwagen naar binnen werd gereden. Tussen de hooiberg en het voorhuis lag nog de zijkamer. Deze had een houten vloer en werd bij Beerepoot als logeer- en poppenspeelkamer gebruikt. De zijkamer werd ook wel de zaadkamer genoemd, omdat er het zaaizaad (graan, erwten) kon worden opgeslagen. Vader Beerepoot had geen bouwland, zodat de zaadkamer deze functie niet had. Voorganger Ursem gebruikte deze ruimte nog als tuigkamer, om er het tuig van zijn paarden uit te stallen. Bij Beerepoot hing het paardentuig aan het schot in de dars. Het was van gewoon zwart leer. ‘s Zondags gebruikte vader zwarte gevlochten leren leidsels. Het ringsteken tijdens de Hoogwouder kermis, waar boeren met hun paard en wagen mooi voor de dag kwamen, was in Rika’s jeugd al bijna verdwenen. Waar vroeger in de boerderij de kazen werden bewaard, weet Rika niet. In de zijkamer herinnert niets meer aan stellages. Misschien werden de kazen wel op stal bewaard. Vader bewaarde namelijk zijn schapenkaas op speciale kaasplanken die dwars op de stalschutten van de lange regel werden geplaatst. In deze kaasplanken zaten ronde vormen waar precies een kaas in paste. De kaas werd af en toe gepekeld en tevens omgedraaid, tot het moment dat hij rijp was.

De stal en de heilige dagen

In mei gingen de koeien naar buiten en werd de koestal grondig schoongemaakt. Uit een kuip werd water met een hozersschop tegen de zolder gehoosd. Het water viel naar beneden zodat ook de koegang onder water kwam te staan. Elke keer werd de kuip verplaatst zodat de hele stal aan de beurt kwam. Het water was afkomstig uit de pomp en als dit op was, werd het met emmertjes uit de sloot geschept. Met deze klus waren ze wel twee dagen zoet. Daarna werden de spatschutten, die bescherming boden als je over de koegang liep, in de sloot naast het huis in de week gelegd en na drie dagen geschrobd. Na het drogen werden ze opgeborgen. De lange en de korte regel werden geteerd zodat ze er prachtig uitzagen. Schelpen werden er niet ingelegd, wat nog wel bij Rika’s opoe Heddes in ’t Zand gebeurde. De lopers werden uit de kast gehaald, een voor op de lange regel en een brede biezen mat voor op de korte regel. Deze mat werd eens in de week opgerold en buiten over het hek opgehangen en met de mattenklopper uitgeklopt. De loper van de lange regel ging slechts af en toe aan de lijn, omdat daar veel minder over werd gelopen. Verder werden de koeraampjes met blauwsel ingesmeerd en de stalschutten gewitteld. Daarna moesten de kinderen Beerepoot nog de zogenaamde ‘heilige dagen’ weghalen. Deze witte spatten waren tijdens het wittelen op de grond gevallen. Vervolgens werden de gele steentjes van ‘het achterom’ zandwit gedweild. Er werd zand over de steentjes gestrooid waarna deze met water en een bezem werden geschrobd. Het water liep weg via de giergoot naar de groep, waarna het zand mooi bleef liggen. Dit zand lag er de hele zomer en het was een mooi gezicht. Ten slotte werd de rollaag van de koegang nog zandwit gedweild. Op deze rollaag stonden de koeien met hun achterpoten. Deze laag was ruim een halve meter breed en bestond uit gemetselde boerengeeltjes die op hun kant waren gezet. Dit deel van de koegang moest goed stevig zijn.

Drukte in de hooitijd

Vader Beerepoot had een werkman in dienst, Siemen Bos uit Koegras. Hij woonde met zijn gezin in het werkmanshuisje op het erf en werkte bij Beerepoot van 1924 tot 1930. Daarna kwam buurjongen Simon Groot Tzn die tot 1935 in dienst bleef. Beerepoot was van gewone komaf en er bestond dan ook weinig afstand tot de werkman die gewoon met het gezin koffie dronk. Bij Beerepoot kreeg het personeel een gulden meer in de week dan bij anderen, ook in de slechte crisistijd. Een bus melk ging weg voor een gulden en een nuchter kalf bracht niet meer dan vijf gulden en een kwartje op. In 1935 waren de zonen Piet en Anton groot genoeg om in het bedrijf te helpen. De hooitijd in de maanden juni en juli was een drukke tijd. Vader had dan extra personeel in dienst, zoals kruidenier Cees Commandeur. In later jaren kwam hij om ongeveer een uur ‘s middags om het hooi op hopen te zetten, daar was hij heel handig in. Als moeder vroeg of hij een snee brood wilde, dan hoefde dat niet, maar een oud bruintje was wel goed. Dat kon want vader dronk dat ook. Met het binnenhalen van het hooi werd begonnen om 8 of 9 uur ’s ochtends. Tegen melkerstijd in de middag gingen een paar mannen er mee door, terwijl de anderen gingen melken. ‘s Avonds ging iedereen weer door.

Het tiemen van het hooi

Het maaien gebeurde rond de Opmeerder kermis, in het laatst van mei of begin juni, afhankelijk van het weer. Het gemaaide gras werd eerst gekeerd en dan geschud, om het zo droog mogelijk te krijgen. Dan werd het op lange rijen geschoven, het zogenaamde wieren. Vervolgens werd het hooi op hopen geschoven met een ponderboom. Deze balk van 3.5 meter breed werd met drie touwen voortgetrokken door een paard en schoof het hooi voor zich uit. De leidsman stond boven op de ponderboom en hield de hooihoop tegen. Aan de uiteinden van de ponderboom waren twee touwen bevestigd terwijl een derde touw midden over de hooihoop heenliep en deze als het ware naar beneden drukte. Was de hoop groot genoeg dan stapte de leidsman van de boom af en werd de boom zo over de hooihoop heengetrokken. Dit hopen maken heette ook wel het optiemen van het hooi; het tuig heette het tiemtuig. De hoop moest nog wel netjes gemaakt worden, het zogenaamde opzetten.

Een gouden of een ijzeren

Het was belangrijk om op de juiste dag met hooien te beginnen. Als het warm was, had je grote kans op onweer. Dan was je te laat. In de laatste dagen droogde het hooi wel op zijn best. Op zo’n laatste dag werd gezegd: wordt het een gouden of een ijzeren: krijgen we het hooi binnen voor de regen of halen we het niet! Was het hooi nog niet droog dan kon je het bij dreigende regen niet binnenhalen. Het moest dan maar tijdelijk op een hoop. Na de regen werd het hooi weer verspreid. Belangrijk was het om deze hooihoop goed te stellen: het hooi moest als het ware als pannen op een dak gesteld worden, dan liep het water er beter af. Het land in Hoogwoud was zandiger dan in Obdam, waardoor Beerepoot de eerste jaren minder last had van hooibroei. Het hooi was namelijk stengeliger. Beerepoot gebruikte echter flink kunstmest, waardoor het hooi krachtiger werd maar ook sneller ging broeien. Bij gebruik van kunstmest moest het hooi eigenlijk langer drogen, alvorens het in de hooiberg te halen. Bij dreigende hooibroei moest je wel maatregelen nemen. Je stak dan een gat naar de plaats van de hooibroei, dat noemden ze de pit. Deze moest je dan wegsteken, anders vloog de hooiberg in de brand. Dit was erg warm werk.

Driewieldekar of hooisleep

Transport van hooi kon met de driewieldekar. Normaal was dat een geraamte op drie wielen met daarop een houten bak. Voor het hooien werd deze bak vervangen door een beun van vier bij twee meter. Van voren werd deze beun vastgezet in de schotel van de kar. Dit was bij de as waaraan het voorste wiel bevestigd was. Een hooihoop kon op deze kar worden gesleept door de voorkant van de beun los te maken en deze naar achteren te kantelen. Er moest dan ook nog een schot tegen de beun aangezet worden. Dit was echter niet makkelijk, ook omdat de kar hoog op zijn wielen stond. Meestal werd het hooi er daarom met de hand opgestoken, pik voor pik. Eerst werd een groot houten raam op de beun gelegd om het oppervlak zo groot mogelijk te maken. Het hooi werd op lagen opgestapeld, het voerleggen. De steken werden omgerold en opgestapeld tot echte hopen. Om het hooi bij de rit naar de boerderij op zijn plaats te houden, werd de ponderboom dwars over het hooi gelegd en vastgemaakt met een ling. Thuisgekomen werd het hooi met de vork de hooiberg ingestoken. Een snel transport van het hooi was belangrijk. Vader Beerepoot gebruikte daarom niet de traditionele driewielde kar, maar introduceerde de hooisleep, een lage, lange driewielde kar. Hij was de eerste in Hoogwoud en omgeving. Het idee was afkomstig uit ‘t Zand (de Zijpe) waar de ouders van moeder Beerepoot het systeem gebruikten. Op aanwijzingen van Gert maakte wagenmaker Schipperijn (die op de plek van het huidige Dorpshuis woonde) de hooisleep. De hooisleep was een driewielde wagen met een beun van zes meter lang die van achteren bijna tot aan de grond liep. Achteraan zat een klep die uitgeklapt kon worden. Hierdoor konden de hooihopen (twee grote of drie kleine) zo op de sleep getrokken worden. Dit gebeurde met een touw, of met de ponderboom. De hopen vielen tijdens het slepen niet uit elkaar omdat ze al diverse dagen in het land stonden en dus stevig waren. Ze waren ‘bestorven’, zo noemde Rika het in mooie boerentaal. Op de beun werden overdwars lusvormige touwen gelegd in de ruimte tussen de planken. Met deze zogenaamde lingen werden de hooihopen later de hooiberg ingesleept.

Een foto van de hooisleep welke door wagenmaker Schipperijn 
werd gebouwd op aanwijzingen van Gert Beerepoot.

Hooien zoals dat ging met de driewieldekar,
hier bij Daan van Dolder aan de Koningspade 26.

Opjagen en plukken van hooi

Thuisgekomen werd de hooisleep de dars ingereden. Dan werd de ling via een haak aan een touw bevestigd, dat via een katrol in de nok van de boerderij naar een paard liep, dat buiten de dars stond. Als het paard vooruit liep, werd de hooihoop zo door het ontvangersgat de berg ingetrokken, het zogenaamde opjagen. Twee mannen in deze berg duwden de hoop naar de juiste plek, waarna met een stevige schreeuw aangegeven werd dat het touw gevierd kon worden. De hooihoop viel dan in de berg en het paard werd naar achteren geleid om de volgende hoop naar binnen te trekken. Zo kon je per dag wel 30 hooihopen binnenhalen. Het hooi in de berg moest gesteld worden. Zo moest het hooi ruim rondom de balken van het vierkant geplaatst worden; hetzelfde gold voor de kasten en de bedsteden die onder de druk zouden bezwijken. Gebeurde dit niet, dan zou het hooi later vastlopen. Hooi zakte in de maanden na het binnenhalen namelijk altijd in omdat het broeide. Het werd warm en verloor dan volume. Het hooi ging dan op de balken drukken, en in het ergste geval zouden deze zelfs scheuren. Om dat te voorkomen, werd de hooiberg geplukt. Met een hark werd dan de buitenkant van de berg, en vooral de darskant, gekamd zodat de balken goed vrijkwamen. Dit was trouwens ook een mooi gezicht.

Warme bollen van bakker de Haan

Het einde van de hooitijd werd gevierd bij Beerepoot. Bakker Tijmen de Haan bracht warme bollen in een grote mand, met een deken op de bodem. Het personeel en de gezinsleden aten deze besmeerd met boter en warme stroop, en gezeten aan de lange tafel op het staltje. Op een keer vroeg moeder: ‘wie lust er nog een warme bol’. Niemand had er nog trek. Toen zei moeder: ‘Nou, toevallig is de mand leeg’, waarop de werkman antwoordde: ‘Als ik dat geweten had, had ik er nog wel eentje willen hebben’.

 

 

 Website designed and build by

deanluma logo shade xsmall