Stichting Hoochhoutwout biedt u het heden en het verleden van de (vroegere) gemeente Hoogwoud (Hoogwoud, Aartswoud, De Langereis, De Gouwe, De Weere). De Stichting Hoochhoutwout heeft als doelstelling om de (vroegere) gemeente Hoogwoud in al haar facetten te belichten.

Claes Cornelisz. Caegh

Een dief in het 18e eeuwse Hoogwoud

Door Niek Dekker

Op maandag 25 juni 1731 werd bij de pastoor van Hoogwoud, Cornelis de Bruijn van Beerendregt, koperwerk en lijfgoed uit zijn schuur gestolen. Hij woonde aan het Zuideinde bij de katholieke schuilkerk die vermoedelijk stond op de plaats van de huidige katholieke kerk. Bij toeval kwam men er achter dat Claes Caegh, de dader moest zijn geweest. Hierna kon het recht zijn loop hebben. Hoe dat in die tijd werd gedaan, is door een ver familielid van Claes, Gino Kaag, opgediept uit het oud notarieel en het oud rechterlijk archief van Hoogwoud. Deze archieven bleken veel ‘smakelijke’ details te bevatten. Met behulp van deze informatie is van de rechtsgang een chronologisch verslag gemaakt.

Laten we eerst de hoofdpersoon in dit dorpsdrama aan u voorstellen.

Claes Cornelisz. Caegh is ten tijde van het proces 49 jaar oud. Zijn beroep is ‘verver en glasemaker’. Hij woont met zijn vrouw Maartje en hun kinderen aan de Kerkelaan in Hoogwoud (nu Burgemeester Hoogenboomlaan 40) en heeft een winkel aan huis. Tegenwoordig staat hier het woonhuis behorend bij de bakkerij van de familie Baas[1]. Claes is in 1713 in Nibbixwoud gehuwd met Maartje Claas Kistemaker. Hij komt uit Hoogwoud, zij van Benningbroek. Ze hebben drie kinderen: Cornelis geboren in 1713, Geertrudis in 1715 en Aaltje in 1716.

Detail verpondingsboek 1711,
waarin de weduwe Anne Dirks en Claes Caegh als bewoners worden genoemd.

 

25 juni 1731

De ‘huijsgenote’ van mijnheer pastoor zet ’s avonds allerlei spullen in de schuur naast het huis. Het zijn: Een groot deksel van een schotel, een taartpan, een Oost-Indisch theeketeltje, een chocoladepot, een keteltje, een pan met een lange steel, een koekpan, een hangblakertje en een schuimspaan, ‘sijnde allemael koper, hem deposant in eijgendomme toebehorende...’

26 juni

Al om vier uur ’s morgens blijken alle bovengenoemde goederen te zijn verdwenen. Daarnaast worden nog vermist: een paar kousen, een bundeltje met lappen en een schortekleed, die toebehoorden aan de ‘dienstmaegt’ van pastoor.

27 juni

Anna Dirks, wonende aan de Kerkelaan, en de werkster van pastoor, komt hem ’s morgens vertellen dat zij de gestolen goederen bij toeval heeft gevonden in een lege ton in de kelder van Claes Caegh, wonend aan de Kerkelaan. Pastoor gaat om een uur ’s middags naar het huis van Claes en sommeert hem de gestolen spullen terug te brengen. Claes sputtert tegen en beweert dat hij de spullen niet heeft en dat zijn huis doorzocht mag worden.. Hij maakt daarop aanstalte om naar zolder te gaan, maar pastoor maakt hem duidelijk dat hij in de kelder wil kijken. Daar vindt hij zijn spullen. Claes belooft ‘nae diverse woordewisselingen’ alle goederen terug te zullen brengen.

Nacht van 27 op 28 juni

Om middernacht klopt Claes aan bij de achterdeur van de woning van de klopjes[2]. Trijn Willems en Anne Gerrits aan de Kerkelaan. Ze laten hem ‘nae enige redewisselinge’ binnen, waarop Claes ‘een sack dewelke op sijn rugh was dragende op de vloer te neder leijde, daer bij voegende: ‘daer heb je nu al het goed, behalven het goed van de meijd’. Hierna vertrekt Claes zoals hij is gekomen, over het weiland achter de huizen. De dames openen de zak en vinden daarin alle vermiste koperen spullen.

29 juni

Schout en schepenen zijn van de diefstal op de hoogte gebracht en besluiten ‘met advise, kennisse en goedvinden’ van de burgemeester, Claes  Caegh als verdachte van diefstal in ‘bewaerden hand te nemen en te brengen ten huijze van de dienaer van Justitie, of op een andere verseeckerde plaats...’, vanwege ‘de dreijgenmenten door deselve uijtgebragt, mitsgaders dat hij selver absenteert en suspect is van te vlugten’.

1 juli

Pastoor verschijnt voor de schepenen Claes Albertz Koeman en Sijmen Pietersz. Vlaer om ‘onder aanbiedinge van eede’ een verklaring af te leggen. Hij vertelt over de diefstal en wat er vervolgens is gebeurd. Er wordt een akte opgemaakt die wordt ondertekend door pastoor, de beide schepenen en secretaris G. van der Ster.

2 juli

Schepenen Koeman en Vlaer ontvangen Anne Dirks, Trijn Willems en Anne Gerrits. Zij leggen, ook onder ede, hun verklaringen af. Anne Dirks is het eerst aan de beurt. Zij verklaart , dat zij op 25 juni ‘als werkmeijt sijnde geweest ten huijze van Cornelis d’Bruijn van Beerendregt, roomse priester alhier’ het koperwerk naar de schuur van mijnheer pastoor heeft gebracht en de volgende morgen heeft ontdekt dat alles was verdwenen. Daarna doet zij uit de doeken hoe ze de gestolen spullen heeft teruggevonden. Op de morgen van 27 juni komt ze bij het huis van Claes Caegh. Claes is er niet en zijn dochtertje vraagt aan Anne of die ‘eene drank wilde tappen uijt een vat bier dat aldaer in de kelder lagh...’ Anne gaat op het verzoek in en ‘nu siende in de voortz. kelder een ton staen, alleenlijk uijt nieuwsgierigheijt bewogen wierde, te sien wat in deselve mogte wesen, en daer op haer hand in dito ton stekende, tot haer uijterste verwondering bevond, dat benefens nogh meerder koperwerk, daer in mede was een koperen taertpan, dewelke ’s maendags tevoren den 25e juny laestleden in ’t huijs van de heer de Bruijn meergenoemt was gebruikt, en vervolgens aens door alderatie uijt de kelder is vertrokken’. Hierna heeft ze meteen mijnheer pastoor ingelicht. Trijn Willems en Anne Gerrits verklaren hierna ‘comformantelijk en als uijt eenen monde’ hoe Claes Caegh in de nacht 27 op 28 juni de gestolen waar bij hen heeft gebracht en dat het koperwerk de volgende dag ’door ordre van d’heer de Bruijn van hun huijs is afgehaelt’.

Tenslotte verklaart Anne Dirks nog hoe zij op 28 juni door Claes Caegh in huis is geroepen waarna hij zei: ‘daer is het goed van de meijd, en je kunt wel sien dat ik het niet gesto-len hebbe want de kousen sijn geneijt, gewassen en soo...’. De drie dames ondertekenen hun verklaring , Trijn met een handtekening, de beide Anne’s met een kruisje.

3 juli

Op deze dag wordt de boedel van Claes Caegh grondig geïnventariseerd door de schout en zijn schepenen. Er wordt een zeer gedetailleerde officiële akte van opgemaakt.

In het voorhuis trof men aan: een ‘eecken gevervde kist daerop drie delfse koppen’. In de kist bevond zich beddengoed en herenkleding, maar ook 3 ‘getijboecjes’ met zilveren en koperen sluitwerk. Verder was er een ‘kleijne glase kasje’ met een ‘delfs’ theeservies, zoutvaatje en suikerbakje, maar ook ‘1 silveren knoop van een kettingh met eenige kleijne bloedkoralen’. Boven het kastje aan de wand hangt allerlei koperwerk en een rekje met onder andere ‘10 delfse schoteltjes en een bierglas met oor’. In de ‘ververs en glasemakers winkel’ treffen de onderzoekers ‘hamer, nijptangh, vervpotten, oud loot, vervkwasten en dergelijke’.

In de kelder staan een ton en een wastobbe. In de woonkeuken hangt allerlei koper- en aardewerk ‘om de wand en schouw. Men vond er ook ‘een walvis beenen doosje, een strijcijser, twee treeften, een rooster, een tangh, een spiegel, een beesem, drie stooven en een doofpot’. In een eiken kastje liggen gele, rode en witte luiers, maar ook een speldenkussen, een ‘zwarte bratten borstrock, een gekouleurd vrouwe rocke en een rood scharlakens wollen hemt’.

De ‘noorderste en zuijderste bedstede’ bevatten ieder ‘een bed en een peuluw, vijf oorkussens, twee dekens en een beddekleet’. In het achterkamertje staan onder andere pannen, ketels, borden, schoteltjes, een wateremmertje en een bierkraan en ‘voorst wat rommelingh en prullen van weijnigh belang’.

Op zolder is nog een bedstede. Die ligt vol met beddegoed, waaronder twee ‘spaense’ dekens, kleding, twee oude stoelkussens en een luiermandje. Verder worden op zolder ook een spinnewiel en twee wastobbes aangetroffen.

In het voorhuis wordt ook een ‘schoolboekje’ gevonden waarin Claes heeft genoteerd van wie hij nog geld krijgt ‘wegens te goed sijnde verven en glasemaken’:

Ten laste van de kerkm(eeste)r van Hoogtwoud de somma van                              12:10:8

 

Nogh ten laste van Burgem(eeste)r van Hoogtwoud                                              11: 1: 8

 

Aen het huijs daer Dirk Pieters in woont, verdiend                                                 4:11: 0

 

Nogh daer Pieter IJsen in woont tot Sijbekarspel                                                   2:17: 0

 

Nogh aen t huijs daer Jacob Zeeman in woont als boven                                       1:12: 0

Tenslotte heeft men in ‘een buijdel sijnde in de sack van de gevangene’ de somma van twaelf gulden, een stuijver en twee penningen gevonden.

4 juli

Pieter Jansz. Paede, oud omtrent 68 jaar, woonachtig aan de ‘Opmeerder Paede’, verschijnt ‘ten versoeke van d’heer Carolus Heijnsius van Willigen, Baljuw en Schout’, voor schepenen Koeman en Vlaer. Hij legt onder ede een verklaring af over een diefstal in 1705, dan 28 jaar geleden. Pieter vertelt, dat hij in het voorjaar van 1705 een partij hooi heeft verkocht aan Jantje Bruins die toen in de Kerkelaan in Hoogwoud woonde. Hij ving er achttien gulden voor ‘welke kooppenningen hij deposant enige tijd nae op een avond van het huijs van de kooperse heeft afgehaelt’. Hij stopt het geld in een buidel in zijn broekzak. Thuisgekomen doet hij zijn broek uit en legt die met de buidel er nog in voor de bedstee in de keuken. De volgende dag telt hij het geld na en ontdekt dat er zesenzestig dubbeltjes zijn verdwenen. Hij voelt zijn ‘dienstmeijden’ duchtig aan de tand, maar zij ontkennen ‘sulcs stoutelijk’. Een van de meiden zegt dat Claes Caegh wellicht de dader is, omdat hij bij Pieter in huis is geweest. Pieter spreekt Claes er op aan, die echter ‘bij lijft en ziel’ zwoer dat hij het geld niet had gestolen ‘maer zeer onschuldigh betigt werde’. Claes wil weglopen, maar Pieter snijdt hem de pas af en eist dat het geld wordt teruggebracht. Claes belooft dan ‘onder expresse bedingh van stilswijgen’ dat hij het geld de andere dag om twee uur ’s middags ‘van agter de weijd zoude werpen’ in het tuintje van  Pieter. Dit gebeurt inderdaad, maar er ontbreken nog vijf à zes dubbeltjes. Voor dat geld heeft Claes een dreghaak van Pieter ‘geverwt zonder daar iets voor genoten te hebben’.

6 juli

De schepenen ‘gesien en geexamineert hebbende d’Informatien en bewijsen….alsmede de Concessie door Claes Cornelis Caegh, gedetineerde alhier buijten pijnen en banden van ijser...gedaan’ besluiten dat hij ‘uijt de bewaringe in den dienders huijse sal worden gebragt, in de ordinaire boeije en slote deser stede en heerlijkheijt, sijnde onder den raedhuijze ….’.

21 juli

Claes Jansz. Schipper, woonachtig in Hoogwoud, wordt gedagvaard, om op 25 juli ’s morgens om tien uur, voor de schepenen te verschijnen op het raadhuis. Claes Caegh heeft Schipper ervan beschuldigd de van pastoor de Bruijn gestolen goederen bij hem in de kelder te hebben gelegd.

Oude raadhuis, getekend door J. Stellingwerf in 1726.

 

25 juli

Claas Jansz Schipper wordt in hechtenis genomen.

14 augustus

Op de ‘extra ordinaris regtdagh’ wordt Claes Caegh door ‘eijser’ Baljuw en Schout Carolus Heinsius van Willigen neergezet als een notoire dief: ‘Proponerende conform de waarheijt, dat gedetineerde al over lange jaren is berugt geweest van een diefagtig en ongebonden leven, dat hij gevangene van quaad tot erger overslaende, door het algemeen geregt is beschuldigt geworden….’ Hierna beschrijft hij gedetailleerd welke misdaden Claes heeft begaan en besluit met ‘ende aengemerkt het selve zaeken sijn van notoire dieverije en ontvreemding van sijn evennaestens goederen, ende ten opzigte van de goederen van de heer de bruijn voorgemeld en desselfs dienstmaegt niet anders in alle gevalle kan worden geconsidereert als heelingh van gestolen goederen, ’t welke in een land van justitie niet kan, nogh behoort getoolereert te worden maar in tegendeel andere ten exempel, swaerlijk gestraft’. De baljuw eist inderdaad een zware straf, hij wil dat Claes wordt gegeseld en voorgoed verbannen.

10 october

Claes Caegh krijgt zijn vonnis te horen voor de ‘vierschaer’ van schepenen. In het vonnis wordt de aanklacht herhaald met als aantekening ‘dat de diefstal door den gevangene en eenen Claes Jansz. Schipper alvoorens was afgesproken en gemediteert (uitgedacht)’. De zeven schepenen die Claes vonnissen zijn: Claes Koeman, Arien Roocker, Sijmen Vlaer, Sijmen Slicker, Jacob Schoenmaker, Gerrit Soutloper en Dirk Kruijsheer. Ze zijn bij hun besluit niet over een nacht ijs gegaan en leggen Claes een zware straf op. Het vonnis luidt: Soo heben Schepenen, alles met rijpen raede hebbende overwogen en particulierlijk reguard genomen hebbende op de placate van de 19e maart 1614, specialijk art. 4, bij d’ed Groot mogende heeren staten van Hollandt en West vriesland tegen de dieverijen en aanhoudingh van dien geemaneert, na ingenomen advijs van neutrale regtsgeleerden, regt doende in de naeme ende wegen de edele groot mogende heeren Staeten van Hollandt en West Vrieslandt de gevangene gecondemneert, en condemneren desselve mitsdesen ome gebragt te werden ter plaetse al waer men alhier gewoon is justitie crimineel te doen, en aldaer wel strengelijk door den scherpregter met roeden gegeselt te werden, mitsgaders den selven gebannen voor eeuwigh uijt den lande van Holland en West vriesland, sonder daer inne weder te mogen comen (…..) Van swaerder straffe, en dat de gevangene bij provisie tot proeftatie van sijn bannissement met het eerste schip sal werden gezonden nae Oost Indien. Condemneren wijders den selven in de costen en mijsen[3] van justitie’.

De bakkerij halverwege de 20e eeuw. Op de plek van het woongedeelte
(links) van de bakkerij stond het huis van Claes Caegh.

 

21 november

Claes Caegh vertrekt naar Batavia aan boord van het schip de Cornelia van de VOC kamer van Hoorn. Hij is als soldaat aan boord gebracht. Het schip, gebouwd in 1721, vertrok op 22 november vanaf Texel, via Kaap de Goede Hoop, naar Batavia. De schipper was Jan Pereboom. Het contract van Claes wordt op 1 juni 1732 ontbonden, omdat hij tussen Kaap de Goede Hoop en Batavia, aan boord is overleden. Op diezelfde dag wordt het woonhuis aan de Burgemeester Hoogenboomlaan 40 door de schout en schepenen van Hoogwoud verkocht aan Cornelis Pietersz. Glas. De Cornelia komt zonder Claes, op 25 juli, in Batavia aan.

 

[1] Tot omstreeks 1774 stond hier een zelfstandig woonhuis. Naderhand is dit woonhuis toegevoegd aan de bakkerij en onder één dak gekomen. Tot op heden is er een kelder in het achterste gedeelte van het woonhuis aanwezig. De verbergplek van de gestolen goederen is dus bewaard gebleven, maar niet in de oude staat.

[2] De woning van de klopjes stond op de plaats waar  thans Burgemeester Hoogenboomlaan 72 is. In 1771 wordt dit huis door de Roomse kerkmeesters verkocht aan een particulier. Tot die tijd wordt het huis bewoond door het ‘klopje’ Anna Gerrits.  Een klopje was een vrouw die in de periode dat het katholieke geloof in Nederland niet openlijk beleden mocht worden, hand- en spandiensten verrichtte voor priester en gelovigen en met name de laatsten waarschuwde als ergens de mis werd opgedragen.

[3] Mijsen zijn gerechtelijke kosten. Om zeker te zijn dat de kosten betaald konden worden werd er een boedelinventarisatie gemaakt. Bij verbanning was het zo dat de bezittingen verbeurd werden verklaard en dat van de opbrengst de kosten werden betaald.

 Website designed and build by

deanluma logo shade xsmall