Stichting Hoochhoutwout biedt u het heden en het verleden van de (vroegere) gemeente Hoogwoud (Hoogwoud, Aartswoud, De Langereis, De Gouwe, De Weere). De Stichting Hoochhoutwout heeft als doelstelling om de (vroegere) gemeente Hoogwoud in al haar facetten te belichten.

Een gesprek met Jaap Schipper Jzn.

Hij bewoont de boerderij "Mandrill" aan de Grote Zomerdijk 61  in Spanbroek, samen met zijn gezin. Op deze boerderij is hij geboren en getogen. Maar de vijf oorlogsjaren, met de daar bij behorende spanning, hebben op hem, toen 'n joch van 16-17 jaar, wel veel indruk achtergeiaten. De droppingen van wapens vanuit vliegtuigen gebeurden op het land gelegen achter de boerderij.

De eerste droppings vonden plaats in september 1944. Jaap Schipper zelf heeft deze tijd beleefd als een groot avontuur... Als 17-jarige, kan je de dingen die gebeuren, nog niet goed overzien. Maar voor de volwassenen  waren  de  spanningen  er beslist. Veel onderduikers hebben in deze boerderij overnachten. Soms maar voor een of twee nachten. Gerard Lips was hun allereerste onderduiker. Hij is daar tot het einde van de oorlog gebleven. Na de oorlog is hij getrouwd met Afra Pronk. In die tijd kwamen veel huwelijken tot stand tussen onderduikers en de meisjes van het dorp, waar ze tijdelijk woonden. Gerard Lips is door middel van Hannes Koenis naar Spanbroek gekomen. Hannes Koenis (van firma Koenis, Opmeer) ging wekelijks naar de "beurs" in Haarlem. Daar vroeg Gerard Lips aan hem: "Is er bij jullie geen onderduikadres voor mij?" Koenis zei hem, dat het waarschijnlijk mogelijk was. Hij had zijn zwager Willem Schipper daarvoor op het oog. Maar deze Schipper had in die tijd huwbare dochters in huis. En om dan zo'n "vreemde stadse jongen" onder te brengen, daar heb je als vader dan toch je zorgen over. Het is dus geen Willem Schipper maar Jan Schipper geworden, waar hij is ondergebracht.

Ook bij ome Kees Schipper, pal naast hen, waren onderduikers. Twee Joodse kinderen waren daar ondergebracht. Bovendien is daar een Duitser die gedeserteerd was, tot aan de bevrijding ondergedoken. Na de bevrijding is deze man weer richting Duitsland gegaan, niaar men heeft nooit meer iets van hem gehoord. De twee Joodse kinderen waren via Leo Horn (bekend voormalig voelbal scheidsrechter en eigenaar van een winkelketen: red.) in het gezin van Kees Schipper gekomen. Vermoedelijk door verraad kwam op een zondagavond bezoek van de S.D. Ze kwamen op een motor met zijspan. De onderduikers van Jan Schipper waren meteen het land ingegaan en lagen daar in een greppel te wachten tot de kust weer veilig was. Kees Schipper werd ondervraagd, of hij Joden in huis had, wat hij ontkende. De kinderen zaten verborgen onder de grote tabaksplanten die in de tuin stonden. De S.D.-ers geloofden Kees Schipper niet en wilden hem mee nemen naar Hoorn. Maar zijn vrouw (die zichtbaar zwanger was), raakte daardoor zo overstuur, dat werd besloten, dat hij de nacht nog thuis mocht doorbrengen. Maar hij moest dan wel beloven zich de volgende morgen om negen uur te melden in het kantoor op de Rode Steen te Hoorn.  Dat heeft hij beloofd en was het ook zeker van plan. Toen de S.D. was vertrokken kon een ieder weer uit zijn schuilplaats komen. Vader Jan ging die avond naar ome Kees en  probeerde  hem  te overtuigen toch beslist niet naar Hoorn te gaan. Maar Kees bleef bij zijn besluit. "Beloofd is beloofd", zei hij. De volgende morgen probeerde Jan Schipper zijn broer weer tot andere gedachten te brengen. Ook de buren kwamen er aan te pas. Maar Kees bleef bij zijn standpunt. Tenslotte kwam buurman Ruiter er aan te pas; die wist hem te overtuigen met: "Ga niet, je komt nooit meer levend terug". Toen hebben ze de "kerkwagen" ingespannen en is het hele gezin vertrokken naar de Tropweere. Daar zijn ze tot het einde van de oorlog gebleven.

Bij het gezin Jan Schipper nam de spanning in het laatste oorlogsjaar ook al meer toe. Bij de geboorte van Cor Schipper stond de landwacht voor de bedstee. Ze ondervroegen  moeder  Schipper,  waar haar man was. Ze kon daar geen antwoord op geven. Ze wist het ook echt niet. Op het laatst liet ze haar broer, Jaap Zuurbier roepen, en die gelukte het, om de landwacht uit de kamer te krijgen. Maar op de koegang begonnen ze het zoontje van 12 jaar te ondervragen. Hij moest zeggen waar zijn vader was en waar wapens lagen. Het kind zei steeds: "Ik weet het niet" en steeds werd hij dan weer geslagen. Uit angst vluchtte hij de stal op, tussen de koeien. En daar durfden "de mannen" niet te komen. Als je niet van jongs of met die koeien bent opgegroeid, zijn het best wel grote beesten. Eindelijk vertrokken ze. Na dit alles gaf moeder te kennen, niet langer op de boerderij te durven wonen. 's Avonds hebben ze voor een "dauwwagen" (=WF voor handkar) gezorgd. Moeder op een stoel er op, de wieg er op en zo vertrok het hele gezin naar Jaap Zuurbier. Daar zijn ze die nacht gebleven. De volgende morgen is men naar Zandwerven gegaan, weer bij familie. Daar is het einde van de oorlog afgewacht.

De boerderij was toen dus feitelijk onbewoond, maar het vee stond op stal en moest toch worden verzorgd. Er was een afspraak met de buren, dat als het "niet veilig" was, de buren een wit Laken aan de lijn zouden hangen. Dat kon je dan van heel ver af zien. De mannen sliepen in die tijd in een schuur, die in het land stond. Als er een wapendropping plaatsvond, was men vaak de hele nacht in touw. De wapens en de parachutes moesten zo snel mogelijk worden verborgen. Bij daglicht kwam dan een werknemer van A.C. de Graaf de wapens ophalen (AC. de Graaf, voedselofficier bij B.S., 17-4-'45 ter hoogte van   Wognum standrechtelijk doodgeschoten, was een boer die zat aan de Koggenrandweg tussen Medemblik en Aartswoud en aktief was in de ondergrondse). De Wieringermeerder boeren reden toen al op luchtbanden, terwijI de boeren in Spanbroek en Hoogwoud alleen nog maar met een "driewieldekar" reden. Als de wapens waren geladen, ging er een rand strobalen om heen en zo ging hij dan weer naar de Koggenrandweg.

De "man" had altijd brood bij zich, want hij was best wel veel uren van huis. Hij was ook altijd gewapend. Hij wist: "Als ik word gesnapt, overleef ik het niet, maar ik zal mijn huid zo duur mogelijk verkopen.

Op een keer moest hij een controlepost van de Landwacht passeren. Naar zijn gevoel was het aan de paarden te zien, hoe zwaar die "er voor" lagen. Want als je nuchter nadacht, hoefden die twee "Belzen" niet zwaar te trekken voor "5 balen" stro. De Landwacht bestond echter uit jonge jongens, die in dergelijke dingen geen erg hadden. Toen hij de controlepost passeerde, nam hij bij iedere man, die hij voorbijreed een hap brood, zo wist hij zijn zenuwen  te bedwingen. Deze wapens werden in de Wieringermeer verscheept naar Alkmaar en Amsterdam. De wapens waren echter ook wel eens voor eigen
gebruik bestemd.

 

 Website designed and build by

deanluma logo shade xsmall